De extreme rechterzijde heeft een nieuwe hobby gevonden: oude teksten van Marx, Engels en de dagboeken van Che Guevara uitpluizen op zoek naar uitspraken die als racistisch kunnen geïnterpreteerd worden. Het viel al op bij de laatste NSV-betoging in Leuven: de extreme rechterzijde voerde campagne met een hamer en sikkel en met Che Guevara op de affiches. Zijn ze het noorden volledig kwijt? Bovendien zoeken ze naar citaten die ze ongetwijfeld zelf sympathiek vinden.

Op een ogenblik dat een kwestie als racisme nog geen discussiepunt was als vandaag, kwamen Marx en Engels overigens wel al tot de conclusie dat er tegenover onderdrukking en verdeeldheid nood is aan arbeiderseenheid. De slogan ‘Alles wat ons verdeelt, verzwakt ons’ is zelfs een goede samenvatting van wat Marx in Het Kapitaal stelde over de slavernij in de VS: “In de Verenigde Staten van Noord-Amerika bleef iedere zelfstandige arbeidersbeweging verlamd zolang de slavernij een deel van de republiek ontsierde. Daar, waar de arbeid in een zwarte huid wordt gekluisterd, kan de arbeid in een blanke huid zich niet vrijmaken. Maar uit de vernietiging van de slavernij ontsproot onmiddellijk een nieuw, verjongd leven. De eerste vrucht van de burgeroorlog was de strijd om de 8-urige arbeidsdag, die zich met de zevenmijlslaarzen van de locomotief verspreidde van de Atlantische tot de Stille Oceaan, van Nieuw-Engeland tot Californië.” Het taalgebruik zou vandaag anders zijn, marxisten zijn de eersten om te erkennen dat ook taal geen statisch gegeven is. Stellen dat Marx en Engels racisten waren, kan enkel door figuren die absoluut niets van het marxisme begrijpen. Maar van extreemrechts hadden we uiteraard niet beter verwacht.

Meer nog: waar de vervolging van joden en het antisemitisme een belangrijke politieke rol speelde, gingen marxisten daar regelrecht tegen in. En eens te meer werd daarbij gepleit voor arbeiderseenheid in de strijd voor sociale rechten en vooruitgang. ‘Jobs geen racisme’ kan het als slogan vandaag samenvatten.

Lees maar mee wat Lenin over het antisemitisme te zeggen had: “Antisemitisme noemt men het verbreiden van vijandschap tegen de Joden. Toen de vervloekte tsaristische monarchie op haar laatste benen liep, beijverde ze zich onwetende arbeiders en boeren tegen de Joden op te hitsen. De tsaristische politie zette in bondgenootschap met de landheren en kapitalisten Jodenpogroms op touw. De landheren en kapitalisten wilden de haat van de door nood gekwelde arbeiders en boeren tegen de Joden richten. Ook in andere landen is men niet zelden in de gelegenheid te zien dat de kapitalisten vijandschap aanwakkeren tegen de Joden om de blik van de arbeider te vertroebelen, om zijn aandacht af te leiden van de werkelijke vijand van de werkers — het kapitaal. Vijandschap tegenover de Joden houdt alleen daar taai stand waar de onderdrukking door de landheren en kapitalisten de arbeiders en boeren in pikdonkere onwetendheid heeft gehouden. Alleen volkomen onwetende, volkomen geïntimideerde mensen kunnen geloof schenken aan de leugens en laster die over de Joden worden verbreid. Het zijn overblijfselen uit de tijd van de lijfeigenschap, toen de popen de ketters op de brandstapels lieten verbranden, toen de boer een slaaf, het volk onderdrukt en onmondig was. Deze oude feodale onwetendheid loopt op haar einde. Het volk wordt ziende. Niet de Joden zijn de vijanden van de werkers. De vijanden van de arbeiders zijn de kapitalisten van alle landen. Er zijn onder de Joden arbeiders, werkende mensen: ze vormen de meerderheid. Wat de onderdrukking door het kapitaal betreft, zijn zij onze broeders, in de strijd voor het socialisme zijn zij onze kameraden. Er zijn onder de Joden koelakken, uitbuiters, kapitalisten, net zoals die er onder de Russen en onder alle naties zijn. De kapitalisten streven ernaar tussen de arbeiders van verschillend geloof, verschillende natie en verschillend ras vijandschap te zaaien en aan te wakkeren. Zij die niet werken, houden zich in het zadel door de sterkte en de macht van het kapitaal. De rijke Joden, de rijke Russen, de rijken van alle landen onderdrukken en onderwerpen in een verbond met elkaar de arbeiders, plunderen hen uit en zaaien tweedracht tussen hen. Schande over het vervloekte tsarisme, dat de Joden heeft gepijnigd en vervolgd. Smaad en schande over hem die vijandschap tegen de Joden en haat tegen andere naties zaait. Leve het broederlijke vertrouwen en de strijdgemeenschap van de arbeiders van alle naties in de strijd voor de omverwerping van het kapitaal.”

Wat Lenin terecht opmerkt, is dat de fundamentele scheidingslijn in de samenleving niet gebaseerd is op religie of afkomst maar op de plaats in het productieproces. Hij voegt er aan toe dat racisme een grotere ingang kan vinden naarmate een systeem achtergebleven kenmerken vertoont. Dat de crisis vandaag een groeiend deel van de bevolking in de geschiedenis terug werpt en opnieuwe barbaarse elementen van massawerkloosheid en grootschalige armoede in West-Europa introduceert, zorgt er inderdaad voor dat er een groeiende voedingsbodem voor racisme kan zijn. Kijk maar naar de Griekse Gouden Dageraad.

Als marxisten zich tegen racisme verzetten, heeft dit niet louter te maken met morele overwegingen. Die zijn er natuurlijk ook, maar het fundament voor ons is de vraag hoe we de arbeidersklasse kunnen versterken en eenmaken in de noodzakelijke strijd tegen kapitalistische onderdrukking en uitbuiting. Racisme is daarbij een hinderpaal, net zoals seksisme of homofobie dat zijn. Dat uitgangspunt was al aanwezig bij Marx, Engels, Lenin of Trotski – ook al was het bewustzijn rond racisme, seksisme of homofobie in die tijd absoluut nog niet zo sterk uitgewerkt als vandaag.Mogelijk zullen onze extreemrechtse schriftgeleerden in hun zoektocht naar straffe uitspraken van marxisten ook botsen op formuleringen die als seksistisch of homofoob kunnen geïnterpreteerd worden. We wensen hen veel succes met de zoektocht naar die uitspraken en beseffen intussen maar al te goed dat marxisme geen kwestie van schriftgeleerden en tekstexegese is, maar van een klassenanalyse gekoppeld aan de strijd voor een andere samenleving.

In die strijd staan marxisten en revolutionairen vooraan om meer eenheid te creëren, terwijl verdeeldheid een traditioneel argument van de contrarevolutie is. Als het vandaag niet aanvaardbaar is om joden als ‘sjacheraars’ te omschrijven, is dat niet aan de marxisten toe te schrijven. Het is het resultaat van de daden van ‘nonkel Marcel’ en co (volgens Debie is dat het koosnaampje voor Hitler in VB-kringen). Marxisten stonden vooraan in de strijd voor vrouwenrechten, de traditie van de internationale vrouwendag op 8 maart is bijvoorbeeld gelegd door de revolutionaire socialiste Clara Zetkin. Een revolutionair als Che Guevara was de eerste om de noodzaak van internationalisme te verdedigen. Dergelijke figuren vandaag bestempelen als racist, zegt meer over diegene die de beschuldigingen uit dan over de standpunten van de beschuldigde personen.