Op 30 januari 1933 werd Adolf Hitler aangesteld als de nieuwe kanselier van Duitsland. Het was het begin van een donkere periode waarin de ijzeren vuist van het fascisme heerste. Als vandaag naar het ‘populisme’ van de jaren 1930 wordt verwezen, is dat een onderschatting van wat het fascisme juist betekende voor een meerderheid van de bevolking. Tachtig jaar na de machtsovername door Hitler is het nuttig om na te gaan hoe dat mogelijk was en waar het fascisme juist voor stond.

Dossier door Geert Cool uit de februari-editie van ‘De Linkse Socialist’

 

Wat is fascisme?

Fascisme is meer dan ‘één figuur’ die het goed kan zeggen. De sociale basis is belangrijk en enkel te organiseren indien er financiële steun van minstens een deel van de burgerij is. Zonder de steun van grote industriëlen zou Hitler nooit in staat geweest zijn om zijn beweging voldoende te organiseren om begin jaren 1930 door te breken. Maar zelfs dan nog hadden de nazi’s nooit aan de macht kunnen komen indien de arbeidersbeweging de juiste tactieken had gehanteerd.

Het fascisme mobiliseert vooral lagen van de kleinburgerij – middenstanders, beoefeners van vrije beroepen,… – om die in te zetten tegen de arbeidersbeweging. De fundamentele klassen in de kapitalistische samenleving zijn de burgerij en de arbeidersklasse. De kleinburgerij, of middenklasse, kijkt op naar de burgerij waar het maar al te graag deel van zou uitmaken, maar de onderste lagen van de kleinburgerij hebben het vaak soms slechter dan veel arbeiders. Economische crisis komt bij deze laag van de bevolking hard aan en leidt tot een radicalisering. De kleinburgerij heeft echter geen eigen project van een samenleving waarin het een centrale economische positie kan innemen. De kleinburgerij kijkt uit naar de burgerij of de arbeidersklasse om een weg vooruit te bieden.

Als de arbeidersbeweging het nalaat om vastberadenheid aan de dag te leggen en duidelijk te maken dat ze tot overwinningen kan komen, kan ze de kleinburgerij niet overtuigen en raken grote delen van de middenklasse, met in het vaarwater zelfs delen van de arbeidersklasse, in grote bewondering voor de ‘radicaliteit’ van elementen van de burgerij. Om de kleinburgerij aan haar kant te krijgen, moet de arbeidersbeweging aantonen dat het over een alternatief beschikt en dat het er zelf in gelooft. Twijfel en onduidelijkheid worden afgestraft, het fundament om onduidelijkheid te vermijden zit in het politieke programma. Daarmee bedoelen we niet alleen de maatschappijvisie en bijhorende eisen, maar ook de wijze waarop rond die eisen in actie wordt gekomen.

Het fascisme baseert zich op de kleinburgerij en andere delen van de samenleving die van de arbeidersbeweging los zijn komen te staan, zoals werklozen en eerder marginale lagen die aan de rand van de samenleving leven, om in opdracht van de burgerij volledig komaf te maken met de arbeidersbeweging. Door de collectieve kracht van de arbeidersklasse volledig te breken, kan de burgerij zonder enige rem haar bewind opleggen. Het is evenwel niet evident om de georganiseerde arbeidersbeweging volledig te breken. Dat kan pas na fundamentele nederlagen van die arbeidersbeweging, zoals het niet benutten van de revolutionaire mogelijkheden in Duitsland (1928-24) of in Italië (1919-1920). Als de hoop van de revolutie niet wordt gerealiseerd, vergroot de ruimte voor de wanhoop van de contrarevolutie.

Om de middenklasse te mobiliseren, doet het fascisme beroep op een amalgaam van door de geschiedenis achterhaalde ideeën. Van mystieke elementen tot de grootsheid van het eigen volk, het heeft allemaal tot doel om een rad voor de ogen van de kleinburgerij te draaien om uiteindelijk de arbeidersbeweging tot op de grond af te breken. Zowel nationalisme, racisme als een moraliserend ethisch conservatisme vinden doorgaans gemakkelijk ingang in deze kringen. Maar als de nazi’s ondervonden dat ze met een links klinkende retoriek succes hadden, aarzelden ze niet om zelfs over socialisme te spreken. Het doel bleef intussen het zogenaamde ‘solidarisme’, het ontkennen van de tegenstelling tussen arbeid en kapitaal waarbij arbeid aan het dwangregime van het kapitaal wordt onderworpen. Nazi-ideoloog Gregor Strasser stelde dat het vertrekpunt van het nazisme werd gevormd door “de geest en de inhoud van de gilden en corporaties in de middeleeuwen”.

Het nationalisme en racisme moesten de kloof tussen een antikapitalistische retoriek en de verdediging van kapitalisten overbruggen. Het nationalisme werd voorgesteld als een geloofskwestie en iets quasi sacraal. Daarmee werd ingespeeld op gevoelens van ontgoocheling nadat bredere lagen van de bevolking het slechter hadden als voorheen, of gevoelens van revanchisme die sterk leefden onder bijvoorbeeld de oorlogsveteranen.

 

Nazi’s veroveren de macht in Duitsland

Duitsland kwam verwoest uit de Eerste Wereldoorlog. Er was in 1918 een revolutionaire beweging waarbij arbeidersraden werden opgezet. Het rijk van de Keizer stortte in elkaar. De arbeidersklasse had effectief een tijdlang de macht in een aantal steden. Deze revolutionaire beweging, die onderdeel vormde van de internationale golf van revoluties in de nasleep van de Oktoberrevolutie in Rusland, kwam niet tot haar logische conclusies. De leiders van de sociaaldemocratische SPD speelden een verraderlijke rol. Maar het was nog steeds de grootste arbeiderspartij, de jonge communistische partij KPD was erg klein. De SPD-leiders kwamen als gevolg van de revolutionaire beweging aan de macht, maar deden er alles aan om het kapitalisme te redden. De SPD zette de revolutie op een zijspoor.

Latere mogelijkheden van revolutionaire breuken met het kapitalisme werden evenmin benut. Toen de KPD in 1923 een enorme kans had om met een revolutionaire beweging een einde te maken aan het kapitalisme, werd het potentieel niet benut. Onder impuls van partijleider Brandler werd het gevaar van het fascisme – op een ogenblik dat dit zich nog niet stelde – aangegrepen om de plannen voor een opstand af te blazen. De kortstondige periode van relatieve economische stabiliteit vanaf midden jaren 1920 kwam spoedig ten einde door de economische crisis vanaf 1929. Deze internationale crisis had ook in Duitsland verregaande gevolgen. Het aantal werklozen explodeerde van 1,39 miljoen in 1928 tot meer dan 5,5 miljoen in 1932. Vanuit de regering bood de SPD geen enkel antwoord op de crisis en de dalende levensstandaard. De intussen sterk uitgegroeide KDP slaagde er niet in om een onderscheid te maken tussen de SPD-leiding en de vele arbeiders die deze partij als de hunne bleven beschouwen.

De KPD weigerde elk eenheidsfront met de arbeidersbasis van de SPD, alle andere stromingen binnen de arbeidersbeweging werden onverbiddelijk als ‘sociaalfascistisch’ gebrandmerkt. Dat was onderdeel van de doctrine van de ‘Derde Periode’ (na de eerste periode van kapitalistische crisis tussen 1918 en 1924 en de tweede periode van stabiliteit van 1924 tot 1928) waarbij werd gedacht dat het kapitalisme ten val zou komen en de arbeidersklasse de macht zou grijpen. Het gevaar van de fascisten werd nu onderschat door de KPD. Trotski stelde dat de KPD zich gedroeg als een orkest dat trouwmuziek bracht op begrafenissen en begrafenismuziek op trouwpartijen, waarbij de muziek telkens misplaatst is.

In 1930 boekten de nazi’s een spectaculaire overwinning, ze gingen van 12 naar 107 parlementszetels en waren goed voor 18,25% van de stemmen. De SPD hield min of meer stand met 24,53% en de KPD groeide tot 13,13%. De KPD-leiding staarde zich blind op de eigen vooruitgang, maar het momentum was in handen van de nazi’s. Het feit dat de KPD haar rol van partij van de revolutionaire hoop niet waarmaakte, bood extra ruimte aan het fascisme “als massabeweging van contrarevolutionaire wanhoop”.

 

Eenheidsfront tegen het fascisme

Naarmate de dreiging van het fascisme groter werd, kon niet genoeg benadrukt worden wat het belang van een eenheidsfront was. Als Trotski een dergelijk eenheidsfront voorstelde, had hij het niet over grote akkoorden tussen de leiding van sociaaldemocraten en communisten om de meningsverschillen aan de kant te schuiven. Neen, hij wees op het bestaan van een sterke maatschappelijke kracht in de vorm van de arbeiders en hun gezinnen die politiek gezien verdeeld waren tussen de sociaaldemocratie en de communistische partij. Het doel van het eenheidsfront was om de arbeiders in actie te verenigen tegen de fascistische dreiging. Als uitgangspunt daartoe stelde Trotski: ‘Gescheiden marcheren, verenigd toeslaan’. Hij verduidelijkte dat er geen gezamenlijke publicaties, vaandels of plakkaten moesten zijn, enkel overleg over hoe en wanneer toe te slaan.

De communistische partij weigerde tot dergelijke eenheid over te gaan, maar zou na de schok van de machtsovername door de nazi’s een bocht van de ene fout naar de andere maken. Waar de partij voor 1933 bleef beweren dat de sociaaldemocratie niet fundamenteel verschilde van de fascisten, werden na 1933 grote akkoorden gezocht met de leiding van zowel de sociaaldemocratie als ‘progressieve’ burgerlijke partijen. De leiding van de sociaaldemocratie bleef ondertussen alle hoop op de burgerlijke politieke instellingen plaatsen. Er werd steun gegeven aan al wie het ‘minste kwaad’ vormde in de hoop zo de opmars van de nazi’s te stoppen. Op een ogenblik van radicalisering van brede lagen van de bevolking was dat uiteraard een illusie. Als de burgerlijke instellingen samen met het systeem waar ze uitingsvormen van zijn in crisis komen, moeten socialisten net wijzen op de fundamentele onderliggende redenen voor die crisis.

Het toedekken ervan door steun te verlenen aan burgerlijke politici ondermijnde de geloofwaardigheid en slagkracht van de sociaaldemocratie (en na 1933 ook van de communistische partijen die deel uitmaakten van ‘Volksfronten’). Dat nam evenwel niet weg dat nog steeds miljoenen arbeiders actief waren in sociaaldemocratische organisaties en een essentieel en noodzakelijk onderdeel van het arbeidersverzet tegen Hitler konden vormen.

 

Fascisme aan de macht

Bij de verkiezingen van 6 november 1932 haalden sociaaldemocraten en communisten samen meer stemmen dan de nazi’s die een aantal zetels moesten inleveren. Toch zouden de nazi’s hierna aan de macht komen. Dat dit mogelijk bleek, was in de eerste plaats toe te schrijven aan de fouten van de leiding van de arbeidersorganisaties die het fascistische gevaar niet ernstig bestreden. De weigering om een eenheidsfront te vormen en andere fouten lieten ruimte aan Hitler en de zijnen om zich te versterken en uiteindelijk de macht in handen te nemen.

Een poging van president Von Hindenburg om de ‘sociale’ generaal Schleicher tot kanselier te benoemen, was geen lang leven beschoren. Op 30 januari 1933 benoemde Von Hindenburg uiteindelijk Hitler als kanselier. De nazi’s namen drie van de 11 ministerposten voor hun rekening. De SPD weigerde nog steeds om te reageren, de aanstelling van Hitler gebeurde immers op ‘grondwettelijke wijze’. De KDP was nog te druk bezig met de strijd tegen de SPD om het echte gevaar van de nazi’s correct te kunnen inschatten.

Eind februari en begin maart 1933 gingen de nazi’s een stap verder. Op 27 februari stichtten ze brand in het parlement en beschuldigden ze de communisten ervan. Het resultaat was dat de grondwettelijke vrijheden van meningsuiting en organisatie aan de kant werden geschoven. Duizenden verantwoordelijken van de KPD en de SPD werden opgepakt. Voor de verkiezingen van 5 maart 1933 werden alle meetings van de KDP verboden, ook de communistische media werden het zwijgen opgelegd. De nazi’s namen de controle over en begonnen hun terreurregime. Toch slaagden de nazi’s er niet in om bij de verkiezingen van 5 maart een meerderheid te bekomen. Met 44% waren de nazi’s nu wel groter dan de SPD (18%) en de KPD (12%) samen. De KPD-leiding erkende plots de ernst van de situatie en riep op tot stakingsacties, maar de oproep kwam te laat. Waar Mussolini in Italië langere tijd nodig had om zijn macht te consolideren, ging Hitler vrij snel over tot het uitschakelen van de arbeidersbeweging. In april 1933 hoopte de stalinistische Comintern nog op een arbeidersrevolutie, maar de partij werd volledig met de grond gelijk gemaakt. Op 1 mei betoogden de ‘arbeidersorganisaties’ die Hitler in het leven had geroepen als onderdeel van de “nationale dag van de arbeid”. Het succes werd aangegrepen om meteen de vakbondsbeweging uit te schakelen, de arbeidersleiders op te pakken en naar concentratiekampen te sturen.

De fascisten gingen over tot het breken van de arbeidersbeweging om ieder verzet tegen een aanval op de lonen en arbeidsvoorwaarden tegen te gaan en meteen ook ieder toekomstig protest in de kiem te smoren. De fascisten dwongen de arbeiders in organisaties die volledig aan de fascisten, en dus aan de grote bedrijven, onderworpen waren. Deze ‘arbeidersorganisaties’ dienden enkel om de arbeiders te controleren. Ze hadden nooit een grote populariteit genoten, bij gedeeltelijke sociale verkiezingen in maart 1933 – toen Hitler al aan de macht was – haalde de nazi-‘vakbond’ slechts 3% van de stemmen.

Na de arrestatie van vakbondsleiders en het verbod op de bestaande bonden, werd op 16 mei 1933 het stakingsrecht afgeschaft en tegen 1 oktober 1934 werden ook de nazistructuren die de vakbonden hadden overgenomen ontbonden. Het doel was immers niet om in plaats van de oude vakbonden een nieuwe vakbond in het leven te roepen. Neen, de nazi-‘vakbondsstructuur’ diende slechts om het recht op syndicale organisatie volledig te vernietigen.

Het resultaat was verschrikkelijk voor de arbeidersbeweging. Ontdaan van hun organisaties volgden zware aanvallen op lonen en arbeidsvoorwaarden. De Italiaanse lonen halveerden tussen 1927 en 1932 en bleven daarna verder dalen. In Duitsland was er tussen 1933 en 1935 een daling met 25 tot 40%. Werklozen werden aan het werk gezet voor publieke werken, maar kregen daarvoor niet meer dan hun werkloosheidsuitkering. Göring verklaarde in een toespraak op 13 mei 1938: “We moeten dubbel zo hard werken om het Rijk te redden van verval, onkunde, schaamte en armoede. Acht uur op een dag is niet genoeg. We moeten meer werken!” De arbeidsdag werd verlengd tot 10 uur en meer. Alle retoriek van ‘klassensamenwerking’ werd overboord gegooid eens de arbeidersbeweging gebroken was. Dan bleek de ware aard van het fascisme: met ijzeren repressie en concentratiekampen achter de hand de patronale agenda van lage lonen en verschrikkelijke arbeidsomstandigheden door het strot van de arbeiders jagen.

 


Gaat de vergelijking tussen vandaag en de jaren 1930 op?

Op een aantal vlakken zijn er gelijkenissen. In een periode van diepgaande economische crisis raken alle gevestigde instellingen ondermijnd, ook de traditionele partijen. Er is een wantrouwen met daaraan gekoppeld politieke onstabiliteit. Dat wantrouwen is niet altijd even eenduidig, zo blijft de impact van de massamedia in heel wat landen relatief stand houden. Er is net als in de jaren 1930 sprake van een radicalisering van de middenklasse waarop door allerhande formaties wordt ingespeeld. Dat is wat ook de N-VA van De Wever doet.

De opmars van allerhande populisten en de onstabiliteit dwingt de burgerij in het zuiden van Europa ook vandaag soms tot onstabiele regimes van technocraten die schijnbaar boven het dagelijkse gewoeld en boven de klassenverschillen staan. Het was pas toen dat niet meer functioneerde, dat grote delen van de burgerij het fascisme bovenhaalden. Grote delen van het establishment gingen daarin mee, ook de toenmalige Belgische koning Leopold III.

Er zijn echter grote verschillen met de jaren 1930. Er zijn vandaag geen sterk uitgebouwde fascistische krachten die over een brede mobilisatiekracht beschikken. Ook waar neofascisten zoals het Vlaams Belang bij verkiezingen op onstabiele basis electoraal kunnen scoren, is er geen massale actieve aanhang. Het Griekse Gouden Dageraad probeert daar verandering in te brengen, maar slaagt daar slechts met wisselend succes in. De traditionele basis voor een politiek van fascistische straatterreur is vandaag overigens veel kleiner dan in de jaren 1930.

Het belangrijkste verschil met de jaren 1930 is dat de arbeidersbeweging vandaag potentieel veel sterker staat, ook al wordt dat potentieel door de leiding amper benut. De arbeidersbeweging zit vandaag niet haar wonden te likken van zware nederlagen, maar toont het potentieel van een opgang van strijdbewegingen. Dat delen van de vakbondsleidingen en de voormalige arbeiderspartijen de logica van het huidige systeem omarmd hebben, maakt het organiseren van die strijd moeilijker. Maar het potentieel blijft overeind.

De arbeidersbeweging is tot heel veel in staat, zelfs indien ze door de leiding in een penibele situatie is gedwongen. Zo was het de impact van de Russische Revolutie in 1917 en de internationale uitstraling ervan, onder meer in Duitsland, die een einde stelde aan de barbarij van de Eerste Wereldoorlog. Om het historische potentieel te benutten, is de kwestie van een consequent revolutionair socialistisch programma ook vandaag nog van doorslaggevend belang.

 


Trotski over de strijd tegen het fascisme

Wil je meer weten over hoe het fascisme aan de macht kon komen en welk antwoord de arbeidersbeweging daartegenover moest plaatsen? Dan is het boek ‘Fascisme: wat het is en hoe het te bestrijden’ door Leon Trotski een must. Het betreft een allereerste Nederlandstalige uitgave van verschillende teksten door de revolutionair Leon Trotski. Het boek telt 350 pagina’s en kost 15 euro. Hier vind je meer info om het boek te bestellen.