Het verhaal van het gevangenenkamp Breendonk is wellicht vrij goed gekend, een bezoek aan Breendonk blijft tot op vandaag een schokkende gebeurtenis. Over de folteringen en de verschrikkingen in dit kamp zijn al meerdere boeken geschreven. Het nieuwe boek “Beulen van Breendonk” brengt een minder bekend verhaal, dat van de achtergrond van de beulen en hun handlangers. Deze verdedigers van de Arische superioriteit blijken overigens stuk voor stuk ‘losers’ te zijn.

Het boek brengt een overzicht van het kamppersoneel in Breendonk, de verantwoordelijken voor de behandeling van de gevangenen in wat officieel een doorgangskamp was. Ook wordt uitgebreid ingegaan op het proces waarop een groot deel van dat kamppersoneel werd veroordeeld. Een poging tot psychologische verklaring van waarom iemand beul wordt, vonden wij minder geslaagd. Het is nogal moeilijk om zoiets puur vanuit een psychologische kant te verklaren zonder rekening te houden met de sociale context van de opkomst van het nazisme, het breken van de arbeidersbeweging en de oorlogsijver van de nazi’s.

Het fort van Breendonk werd eind augustus 1940 door de Duitsers overgenomen om er een doorgangskamp te vestigen. Het kamp is officieel geen concentratiekamp, maar de verschrikkingen zijn er daarom niet minder. Aanvankelijk zitten er vooral Joden, maar vanaf 1941 neemt het aandeel van de verzetsstrijders en de communisten fors toe. Heel wat communistische kopstukken hebben in Breendonk vastgezeten en zijn daar gefolterd en onderworpen aan het “normale” regime van ontbering met een dagelijkse rantsoenering van 225 gram boord, een paar tassen slappe koffie en iets dat op soep moest gelijken.

De leiding van het kamp is in handen van de SS. Meer bepaald zijn Philip Schmitt en Arthur Prauss de kopstukken van het kamp. Van de Duitse beulen zullen er slechts een paar na de oorlog in ons land worden terecht gesteld, de meesten weten de dans te ontspringen. Hun Belgische handlangers worden wel veroordeeld in een geruchtmakend proces in 1946.

De SS’ers die verantwoordelijk zijn voor het geweld en de ontbering in Breendonk hebben het voor de oorlog doorgaans niet ver geschopt in het leven. Philip Schmitt was begin jaren 1920 al even actief bij de nazi’s, maar de auteurs merken op: “De duur van dit eerste politieke engagement is even kortstondig als die van de talrijke baantjes die Schmitt tussen 1918 en 1933 uitoefent (…) en die afgewisseld worden met periodes van werkloosheid.” De man zou ook even aan het hoofd van de Dossinkazerne staan, maar daar kwam een einde aan nadat zijn zwarte handel in textiel uitkwam. De opvolger van Schmitt als kampcommandant was Karl Schönwetter, een tuinman die bij gebrek aan werk soldaat werd. Schönwetter zou na de oorlog quasi zonder problemen het normale leven in Oostenrijk terug opnemen.

Schmitt en nadien Schönwetter werden bijgestaan door adjuncten, waarbij vooral Johann Kantschuster zich liet gelden als gewelddadig en brutaal. Kantschuster was in andere kampen weg gestuurd omdat er daar geen plaats was voor zo’n zatlap. Na de oorlog verdween hij spoorloos. Ook het naoorlogse lot van de nummer twee in Breendonk, Arthur Prauss, is onduidelijk. Van de Duitse SS’ers in Breendonk zouden er uiteindelijk slechts drie in ons land worden veroordeeld.

Na de oorlog worden 23 Belgische handlangers van de beulen voor het gerecht gebracht. Onder hen enkele van de meest gewelddadige figuren uit het kamp: Wyss en De Bodt. De eerste werd ter dood veroordeeld wegens 11 moorden, 5 doodslagen en 167 vrijwillige slagen en verwondingen. De tweede werd bij versterk ter dood veroordeeld wegens 6 moorden, 4 doodslagen, 4 verklikkingen en 125 vrijwillige slagen en verwondingen. De Belgische SS’ers zijn doorgaans werklozen die zich zonder veel ideologische overpeinzingen bij de nazi’s aansloten toen die ons land binnen vielen.

In Breendonk werd ook beroep gedaan om kameroversten om de andere gevangenen te controleren. De gevangenen zaten allen met een groep in aparte kamers, waarbij er per kamer door de SS-leiding een verantwoordelijke werd aangesteld. Die moest zijn medegevangenen controleren en verklikken. Sommigen gingen daar erg ver in en kozen de kant van de SS. Zeven van hen zouden na de oorlog worden veroordeeld voor deze collaboratie. Onder hen ex-communisten en zelfs Joodse gevangenen.

Uiteindelijk zullen in ons land in totaal 2.940 collaborateurs tot de doodstraf worden veroordeeld, tussen 1944 en 1950 wordt die straf 242 keer effectief uitgevoerd. Daaronder ook 12 beulen uit Breendonk. Eén van hen, Eugène Raes, zweert zijn trouw aan Vlaanderen en haalt Cyriel Verschaeve aan voor hij wordt neergeschoten. Richard De Bodt is na de oorlog voortvluchtig en bij verstek ter dood veroordeeld. Hij wordt pas in 1951 gevat en kan zijn doodstraf laten omzetten in levenslange hechtenis, een straf die hij ook volledig heeft uitgezeten. Bij zijn dood in 1975 was hij de laatste nazi-collaborateur in de Belgische gevangenissen.

Het boek “De beulen van Breendonk” brengt een degelijk uitgewerkt onderzoek naar de verantwoordelijken voor de hel van Breendonk. Het is een nuttige aanvulling op eerder uitgegeven boeken of op een bezoek aan het fort van Breendonk.

”Beulen van Breendonk. Schuld en boete”. Door Van den Wijngaert, Nefors, Van der Wilt, Jorissen en Roden, Standaard uitgeverij, 2010, 224 p., 19,95 euro