24 oktober 1992. Jongeren uit heel Europa stroomden samen in Brussel om te betogen tegen racisme en fascisme. Vooraan in de betoging van Youth Against Racism in Europe liepen duizenden Blokbusters. Een terugblik door Geert Cool.

Geweld in Rostock, opmars extreemrechts in West-Europa

Eind augustus 1992 vielen extreemrechtse militanten in het Oost-Duitse Rostock een appartement waar asielzoekers woonden aan met stenen en zelfgemaakte bommen. De herinvoering van het kapitalisme betekende in Oost-Europa dat een kleine minderheid rijk werd en een grote meerderheid tot werkloosheid en ellende veroordeeld werd. Het was een vruchtbare voedingsbodem voor racisme en extreemrechts. In 1991 telde Duitsland 40.000 leden van neonazistische organisaties. Er waren in dat jaar 3 doden en 449 gewonden bij 1.300 gevallen van racistisch geweld.

Op hetzelfde ogenblik braken extreemrechtse partijen in West-Europa door. Het Front National in Frankrijk was de eerste. De partij van Jean-Marie Le Pen profiteerde in 1986 van de proportionele vertegenwoordiging die door Mitterand was ingevoerd om rechts te verdelen. De berekening van Mitterand keerde zich tegen hem: het FN won heel wat ontgoochelde PS-kiezers over en haalde 10%. Het enthousiasme voor de aanvankelijke hervormingen van de regering-Mitterand sloeg om in ontgoocheling toen deze al gauw terug ingetrokken werden en de Franse regering in de neoliberale pas ging lopen.

In België kende het Vlaams Blok in de gemeenteraadsverkiezingen van 1988 een eerste doorbraak met 18% van de stemmen in Antwerpen. Op ‘zwarte zondag’, 24 november 1991, volgde een doorbraak in heel Vlaanderen met voor het eerst 10% en langs Franstalige kant haalden extreemrechtse groupuscules tot 5% in Luik. In Oostenrijk pleegde een extreemrechtse groep rond Haider in 1986 een machtsgreep in de FPÖ en werd begin jaren 1990 volop de racistische kaart getrokken. Zo probeerde de partij tevergeefs om 1 miljoen handtekeningen tegen vreemdelingen op te halen in 1992.

De val van de Berlijnse Muur versterkte het neoliberale offensief van de jaren 1980. Het leidde tot triomfalisme bij de kapitalisten: ‘we hebben gewonnen, er is geen alternatief,’ luidde het credo. De sociaaldemocratie had er geen antwoord op en stapte mee in een beleid van besparingen voor de meerderheid van de bevolking om de winsten en de ‘concurrentiepositie’ van de rijken te beschermen. De arbeidersbeweging zat in het defensief en dit creëerde ruimte waar extreemrechts gebruik van kon maken.

Jongeren tegen racisme

Er kwam evenwel meteen protest. Begin jaren 1990 waren duizenden jongeren en werkenden in Europa geschokt door het racistisch geweld en de extreemrechtse opmars in verkiezingen. Jongeren namen het voortouw.

Blokbuster werd in de zomer van 1991 opgezet door de marxisten die vandaag LSP vormen. Het bood jongeren de mogelijkheid om hun woede tegen racisme en fascisme te organiseren en de discussie over antwoorden te voeren. Na ‘zwarte zondag’ was er een uitbarsting van een antiracistische beweging: er waren scholieren- en studentenstakingen en tal van spontane betogingen tot in de kleinste steden. Er waren al gauw een 50-tal comités van Blokbuster actief met een 2.000-tal leden.

In verschillende andere Europese landen waren er gelijkaardige jongerenbewegingen tegen racisme en er werd beslist om samen te werken onder de naam ‘Jongeren tegen Racisme in Europa’ (Youth Against Racism in Europe, YRE). Het internationalisme van de nieuwe generatie jongeren werd geconcretiseerd in de internationale betoging tegen racisme op 24 oktober 1992.

Wij benadrukten de noodzaak van actieve mobilisatie om extreemrechts geen ruimte te geven en de verdediging van een sociaal programma dat antwoordt op de voedingsbodem van extreemrechts, samengevat in de slogan ‘jobs, geen racisme’. De jongerenbeweging werd op de arbeidersbeweging georiënteerd, zelfs indien arbeidersstrijd op dat ogenblik grotendeels beperkt was tot defensieve acties.

De marxisten hebben hun vertrouwen in de arbeidersbeweging nooit verloren. Een moeilijke periode na nederlagen en de druk van het neoliberale triomfalisme zouden onvermijdelijk gevolgd worden door nieuwe oplevingen van offensieve arbeidersstrijd. Marxisten beperken zich evenmin tot het leveren van commentaar vanop de zijlijn: ze doen er alles aan om strijd vooruit te helpen. De dynamiek van de jongerenbeweging tegen racisme begin jaren 1990 werkte aanstekelijk voor de meest vooruitkijkende delen van de arbeidersbeweging. De beweging tegen racisme versterken door ze te organiseren en te richten op een politiek alternatief, was dan ook een belangrijke uitdaging. Met stoutmoedige initiatieven zoals Blokbuster, YRE en de internationale betoging van 24 oktober 1992 werd de toon gezet.

40.000 betogers

De betoging van 24 oktober 1992 bracht jongeren en werkenden uit heel Europa samen. Er waren sterke delegaties uit onder meer Duitsland, met een 300-tal jongeren uit Rostock, maar ook Groot-Brittannië, Nederland, Zweden, Ierland, Frankrijk, … Een goed georganiseerde eigen ordedienst, die ook de Britse betogingen tegen de Poll Tax had begeleid, maakte provocaties onmogelijk. Dit was geen overbodige luxe: de vorige grote jongerenbetogingen in ons land, de Jongerenmarsen voor Werk van 1982 en 1984, eindigden helaas in rellen waarop de vakbondsleiding besloot om geen jongerenmarsen meer te organiseren.

Maar liefst 40.000 betogers trokken in een vreedzame en strijdbare betoging door de straten van Brussel. Er werd afgesloten met een concert tegen racisme in Vorst Nationaal. Op de betoging werden 100 nieuwe Blokbusterleden gemaakt. De betoging was voorpaginanieuws in acht kranten en een hoofditem op alle televisiejournaals. Maandblad De Militant merkte op: “Toch had de betoging nog groter kunnen zijn indien de nationale vakbondsleiding en de SP hun kop niet in het zand gestoken hadden en mee gemobiliseerd hadden.”

De betoging zelf was bijzonder strijdbaar. “Doorheen de betoging en het concert liep als een rode draad de vaststelling dat de strijd tegen racisme verbonden is met de strijd tegen het verziekte kapitalistische systeem en voor een rechtvaardig socialistisch alternatief.”

De strijd tegen racisme 25 jaar later

Het geweld in Charlottesville (VS) en de toename van haatmisdrijven sinds de verkiezing van Trump geven aan dat het gevaar van racisme en extreemrechts niet geweken zijn. Ook in Europa is dit zo: Marine Le Pen, Geert Wilders, … scoren in verkiezingen.

In ons verzet hiertegen moeten we een correcte inschatting van deze fenomenen maken. Wij hebben nooit gezegd dat het fascisme opnieuw voor de deur stond. Het klassieke fascisme was een massabeweging die in staat was om de arbeidersbeweging te breken. Vandaag is dat niet aan de orde: extreemrechtse krachten slagen er regelmatig in om een grote passieve steun te krijgen in verkiezingen, maar er is geen breed gedragen actieve deelname. Om die passieve steun te consolideren moeten zelfs neofascistische partijen zich op populisme beroepen.

Partijen als het FN of het Vlaams Belang zijn er de afgelopen 25 jaar bovendien niet in geslaagd om hun militante kracht uit te breiden, een nieuwer fenomeen als Wilders weigert buiten zichzelf andere partijleden in zijn PVV te aanvaarden. Tegen de achtergrond van een nog groter geworden wantrouwen in de gevestigde instellingen en de traditionele partijen kunnen diverse extreemrechtse formaties nochtans grotere scores neerzetten bij verkiezingen, wat ook het gevaar van machtsdeelname groter maakt.

De afwezigheid van een voldoende sterk alternatief op de neoliberale politiek heeft er voor gezorgd dat gevestigde politici steeds meer elementen van rechts populisme overnamen in de hoop er populariteit mee te winnen, maar ook als onderdeel van een verdeel-en-heerspolitiek. Maatregelen die 25 jaar geleden enkel door extreemrechts werden verdedigd, zijn ondertussen door andere partijen uitgevoerd. Theo Francken doet er zelfs nog een schepje bovenop.

De combinatie van het niet onmiddellijk zien van een antwoord op de migratiecrisis, de terroristische aanslagen in Europa en het islamofoob discours van gevestigde politici en overheden, drukt het antiracistisch protest in het defensief in vergelijking met begin jaren 1990.

Toch zijn we niet pessimistisch. Een belangrijk verschil met 25 jaar geleden is dat het neoliberale triomfalisme sinds de Grote Recessie in 2007-08 ondermijnd is. Offensieve strijdbewegingen staan terug op de agenda en nieuwe linkse formaties kunnen op een breed enthousiasme rekenen. Bovendien is er een grotere openheid voor het socialistisch alternatief dat we ook 25 jaar geleden al naar voor schoven als alternatief op de extreemrechtse wanhoop.

In ‘De Militant’ van oktober 1992 schreven we: “De harde kern van neonazi’s zal niet verdwijnen, in laatste instantie zal het een strijd zijn om een einde te maken aan de werkloosheid en de sociale crisis van het kapitalisme. Een strijd voor een socialistische maatschappij die de nazi’s zal vernietigen.” We stelden dat de werkenden zich opnieuw zouden manifesteren als de sterkste kracht in de samenleving. De benadering die we 25 jaar geleden actief naar voor brachten in de beweging tegen racisme, wordt vandaag meer dan ooit bevestigd.

Maar de terugkeer van offensievere strijd en hernieuwde interesse in socialisme leiden niet automatisch tot overwinningen. We moeten strijdbewegingen massaler maken, ook inzake deelname, door dagelijkse bekommernissen op te nemen. Sociale eisen voor werk, onderwijs, gezondheidszorg, … voor iedereen zijn tevens het beste antwoord op de verdeel-en-heerspolitiek waar racisme een onderdeel van is. Deze eisen zullen we echter slechts bekomen door een maatschappijverandering: de steeds grotere ongelijkheid is eigen aan het kapitalisme en heeft verdeeldheid nodig. Een socialistische samenleving zal de hoop op een betere toekomst voor de meerderheid van de bevolking realiseren en daarmee meteen ook de weg van de reactionaire wanhoop definitief afsluiten.